‘Precies,' zei het kleine mannetje met de grote baard, 'precies is het mooiste antwoord ooit.’
‘Waarom zeg je dat toch altijd?’ vroeg het kleine baardje met het grote mannetje eraan.
‘Precies,’ zei het kleine mannetje met de grote baard die zo graag eens een naam zou willen hebben.
‘Zeg, Mr. Wiewel, zullen we maar eens gaan lopen,’ vroeg het ander mannetje, dat, in tegenstelling tot Mr. Wiewel, nog steeds geen naam had, ‘we houden het verkeer op.’
‘Precies, laten we dat doen. Dan kunnen we in deze nutteloosheid de nuttigheid vinden, en misschien ook wel uw naam.’
Het is een welverstaand feit dat kleine baardjes met grote mannetjes eraan doorgaans hun hele leven spenderen aan het zoeken naar hun naam. Dit terwijl ze allemaal Fonst heten. De naam Fonst is een uiterst belangrijke vondst, uitgevonden door de alom geroemde en verbeten professor der Yvorianen Meneer Alf. In de vroegere jaren van Alkabrij hadden deze mysterieuze Fontsen geen naam. Niemand wilde hen er een geven, en niemand wist hoe ze hen moesten noemen. Verwarring en chaos zijn begrippen die deze jaren tijd typeren. Maar vele era's later kwam er een geniale vondst, de Fonst! Helaas, dankzij een communicatiefout op het front van de Srieltjes, is deze naam nooit doorgekomen op het ras der Fonsten. Deze rode, ultrasnel bewegende, miniscule beestjes hebben namelijk een grote voorliefde voor zwembaden, hetgeen de weg van het Srielfront tot het Fonstenrijk mee begeven is. Slecht één Srieltje heeft de verleiding weten te weerstaan, maar was de naam vergeten. Dit Srieltje was erg zielig en eenzaam. Ze werd verstoten van al het andere wezen en kwam nooit meer bij haar positieven.
Fonst keek fonstend, want zo heet het als Fonsten fronzen, naar een paal aan de kant van de weg waar richtingaanwijzers aan waren getimmerd.
‘Dit kan niet kloppen,’ zei hij aarzelend, ‘al deze bordjes wijzen het zwembad aan. Alle 354!’
Ik wou dat ik zo snel kon tellen, dacht Mr. Wiewel.
‘Weet je wat ik zo graag zou willen doen,’ zei Mr. Wiewel.
‘Nee,’ zei Fonst die niet wist dat hij zo heette.
‘Ik zou graag in de weg lopen en praten over de beslommeringen van het leven, zoals Nietmand praat over de beslommeringen van het leven.’
‘Welk leven?’ vroeg Fonst zich af.
Nietmand was de beste, en tevens enige, filosoof van de Alkabrij. Men keek tegen hem op, men keek op hem neer, men zag hem als zijn gelijke. Wat men ook dacht, Nietmand dacht het nièt.
‘Nietmand..... daar heb ik ooit wel eens van gehoord. Maar daar zou ik graag mij zover mogelijk van willen distantiëren,’ zei de nu nog ongelukkigere Fonst die graag op zoek wou naar zijn naam en een richtingbord waar geen zwembad op stond.
'Zullen we nou gahaaan!' jammerde Fonst, die wanhopig begon te worden, 'ik wil een naam hebben!'
‘Een naam? Waarom? Zonder naam is het leven veel mooier,’ Mr. Wiewel schudde zijn hoofd, die Fonsten snapten er ook nooit iets van.
'Jij hebt makkelijk praten, ' zei de nog steeds onwetende Fonts, 'jij hebt een naam!'
‘Ja, en daarom ben ik zo ongelukkig. Wie op deze wereld is nou gelukkig met een naam?!’
‘Ik,’ zei Fonst.
Het was echter zo, dat Mr. Wiewel helemaal niet ongelukkig was. Nietmand, zijn grote voorbeeld, was wel ongelukkig, wat voor Mr. Wiewel betekende dat alle goede filosofen ongelukkig moesten zijn. Juist het feit dat Mr. Wiewel gelukkig was, maakte hem ongelukkig.
Mr. Wiewel wilde namelijk naast Nietmand komen te staan op het grote, en lege, podium der gerenommeerde filosofen. Helaas voor Mr. Wiewel stamde hij af van de verre voorvaderen van de Filytreas, wat betekende dat hij zijn hele leven in onbekendheid door moest brengen. Alleen wist hij dat zelf niet.
'Luister,' zei Fonst, die het peinzende gezicht van Mr. Wiewel goed had bestudeerd, 'ik weet dat je wel gelukkig bent, en dat je dat niet kan accepteren. Maar als we nou eerst mijn naam gaan zoeken, dan kunnen we daarna verder met jouw probleem.' Het laatste gedeelte van de zin klonk verwijtender dat Fonst het had bedoeld.
Mr. Wiewel dacht peinzend na. Als hij nou eens als eerste de Fonst aan zijn verstand kon brengen dat een naam niets is om gelukkig over te zijn, had hij waarschijnlijk het hele filosofenpodium voor zich alleen. En, als hij de Fonst zijn naam zou kunnen bijbrengen, kon hij Nietmand in het ravijn doen laten vallen. Dat was nog eens een alleraardigst plannetje.
Het vaalrode, oude, seniele Srieltje, dat haar naam vergeten was, hing de was buiten. Al fluitend hing ze de vaalrode Srielshirtjes aan het minuscule waslijntje. Vaalrood, omdat ze altijd vergaten dat ze was in de wasmachine hadden gestopt, aangezien ze seniel waren.
Het niet weten of vergeten van dingen was heersende op de Alkabrij.
Vroeger, in de oudheid, waren de Srieltjes nog felrood. Toen hielden ze van feesten en zwemmen. Nog altijd krijgen zij een brandend verlangen als zij een plas water zien. Of nog beter: een zwembad of jacuzzi. Maar hun grote passie was de andere wezens van de Alkabrij van berichten voorzien. Tussen het feesten, zwemmen en communiceren door hadden zij geen tijd meer om zich voort te planten. Daarom waren zij nu oud en vaal.
Voordat een Srieltje geboren wordt, krijgt hij/zij een instructievideo te zien waarin wordt verteld hoe zij moeten leven als Srieltje. Zo gaat dat leven in zijn werk: een Srieltje wordt geboren. Hij/zij krijgt dan alle informatie die zijn/haar ouders in de jaren hebben verzameld. Elk Srieltje is dus veel slimmer dan zijn/haar ouders. Dit moet omdat elk Srieltje na een jaar te hebben geleefd eeuwig seniel wordt. Een Srieltje moet zich dus binnen een jaar voortplanten. Helaas vielen de Srieltjes tijdens het kijken van de instructievideo in slaap, en weten dus niet hoe ze dat moeten doen.
Nu hebben de Srieltjes alles vergeten, zo ook om te sterven. Dit als gevolg dat de Srieltjes eeuwig leven. Dit alles door een semantische fout in het Srieltjesprogramma gemaakt door de Srieltjesgod. De Srieltjesgod wilde het Srieltjesprogramma wel updaten, maar omdat de Srieltjescomputer op het besturingssysteem ‘Raampjes’* werkt, liep het Srieltjesprogramma vast.
Het Srieltje dat de was buiten aan het hangen was, dat overigens Doeblie heette, maar dat was ze vergeten, deed dat nog steeds. Ze zei met een zwaar, sterk op Amsterdams lijkend accent, mar het was Srieliaans, omdat ze op de Alkabrij geen Amsterdam hadden: ‘Nu ben ik klaar met de was ophangen!’ en ze deed een vreugdedansje.
‘Waarom spring je zo raar in het rond?’ vroeg een toevallig voorbijlopend Srieltje.
‘Eh… dat weet ik niet meer,’ zei Doeblie, die was vergeten dat ze zo heette.
‘Hallo, dat is blauw!*’ zei een derde Srieltje, wijzend naar de vaalrode Srielshirtjes, wapperend aan de waslijn.
‘Probeer je me nou te versieren?’ vroeg Doeblie verontwaardigd.
‘Versieren? Wat is dat?’ vroeg het Srieltje.
‘Weet ik niet,’ zei Doeblie, ‘maar jij bent het aan het doen!’
Het werd even stil. Beide Srieltjes keken even heel ongemakkelijk in het rond. Langzaam veranderde hun ongemakkelijke gezichtsuitdrukking in een neutrale, namelijk blije, uitdrukking.
‘Nou, daahaag!’ zei Doeblie vrolijk, en het ander Srieltje begon de was van de waslijn af te halen. Terwijl het Srieltje dat deed, klonk er een kreet door heel Srieltjesland die al jaren geleden in de vergetelheid was geraakt.
‘Ojaaa!’
Dit geluid werd voortgebracht door het Srieltje Stach, die zich wonder boven wonder iets herinnerde.
‘‘Oja’? Wat is dat?’ vroeg Doeblie aan Stach, die toevallig langsliep.
‘Dat betekent dat ik me weer iets kan herinneren!’ zei Stach vrolijk, die zich dat opeens ook kon herinneren.
‘Wat heb je je dan herinnerd?’ vroeg Doeblie.
‘Ik herinner me dat ik nog iets moet zeggen tegen iemand. Kom, ga je mee?’
Doeblie, die was vergeten dat het niet slim was om met vreemden mee te gaan, stemde meteen in. Ze gingen op pad, zonder iets mee te nemen of het aan iemand te vertellen. Nouja, dat maakt toch niet uit, want de ander Srieltjes vergaten toch dat er gewoonlijk nog 2 Srieltjes meer in Srieltjesland hoorden te wonen.
Na een tijdje zag Stach een vlinder.
‘Hallo vlinder, jij ben blauw!’ zei hij vrolijk.
Doeblie keek op.
‘Heet ik vlinder? Probeer je me nou te versieren?’
Stach herinnerde zich niet wat versieren was, en was bovendien toch al vergeten dat Doeblie iets had gezegd.
‘Nu moet er wat vaart in het verhaal komen,’ zie Doeblie.
‘Vaart? Verhaal? Wat zeg jij nou?’ Stach keek Doeblie verbaasd aan.
‘Hè?’ zei Doeblie, ‘zei ik iets dan? Jij zei toch wat? Wat is zeggen eigenlijk?’ Doeblie vergat plotseling wat zeggen was, en hield gelijk haar mond. Dit is niet vreemd bij de Srieltjes, die vergeten wel vaker wat praten is.
‘Het leven is als een glas water; je drinkt en drinkt van het transparante, lege, nietszeggende goedje en na een tijdje is het op,’ zei de beste tevens enige filosoof van de Alkabrij waarna hij weer oploste in de mist van zijn bestaan.
Fonst was nog steeds de 354 richtingaanwijzers aan het bestuderen, misschien had hij iets over het hoofd gezien.
‘Niet te geloven, ze wijzen écht allemaal een zwembad aan!’ zei Fonst, nu nog geïrriteerder, mede omdat hij nu echt zijn naam wilde weten.
‘Misschien,’ zei Mr. Wiewel mysterieus, ‘heeft dit wel een heel belangrijke betekenis! Misschien probeert iemand hiermee aan te tonen dat de Alkabrij ten onder gaat aan het overvloedig gebruik van zwembaden! Of misschien – ’
‘Is er één of andere idioot die het leuk vindt mij te kwellen, ‘ zei Fonst cynisch.
Mr. Wiewel die in een zeer filosofische bui verkeerde en zich niets wilde aantrekken van van zulk laag niveau voorziene wezens, ging helemaal op in deze wolk van filosofische druppeltjes. Drup, drup, drup.
‘Of misschien, misschien geeft hier onze almachtige Alkabrijaanse God het teken dat het lot van ons in de handen van de zwembadgeest wil laten vallen.’
‘Jij ken echt niet goed filosoferen, hè? Waar slaat dit op!’ riep Fonst, die steeds gefrustreerder begon te worden, ‘ ‘Of misschien, misschien geeft hier onze almachtige Alkabrijaanse God het teken dat het lot van ons in de handen van de zwembadgeest wil laten vallen’ ’ imiteerde hij met een mummelende stem, die erg veel leek op die van Mr. Wiewel. Mr. Wiewel keek als een klein kind dat net te horen heeft gekregen dat hij geen snoepjes meer mag.
Op dat moment kwam er uit de bosjes een klein, doorzichtig bolletje aanvliegen. Dit was een aan het eind van zijn latijns Srieltje, dat was vergeten wat lopen was, waarop hij maar was gaan vliegen.
‘Hé kijk!’ zei Fonst, die overigens nog steeds niet wist dat hij zo heette.
Mr. Wiewel was nog steeds niet uit zijn filosofische gedrup te halen. Drup, drup, drup.
‘Hallo, Srieltje,’ zei Fonst.
‘Probeer je me nou te versieren?’ vroeg het Srieltje.
Fonst fonste naar het Srieltje, dat trouwens Blabla heette, maar dat was hij vergeten.
‘Oh, jij weet ook niet wat versieren is?’ zei Blabla hierop, ‘Join the club! Wat is ‘club’ eigenlijk? En wat is ‘joinen’?’
‘Dat is Engels,’ antwoordde Fonst monotoon die eigenlijk niet wilde antwoorden. Even was het stil. En toen fonste Fonst naar zichzelf, ‘Wat is Engels eigenlijk?’
Blabla was nu helemaal buiten zichzelf van blijheid: ‘Oh! Jij weet ook niet wat alles is! Jij bent het ook vergeten!’
‘Nee hoor,’ zei Fonst nog mismoediger, ‘ik ben alleen mijn naam vergeten.’
Blabla was nu niet alleen buiten zichzelf van blijheid, maar sprong ook een gat in de lucht, voor zover hij niet was vergeten wat dat was.
‘Wat geweldig! Ik ben ook mijn naam vergeten!’
Toen viel een stilte en de sfeer zakte langzaam op de sfeerthermometer.
‘Wat is een naam? Wat is vergeten?’
Ondertussen op een heel andere plaats in de Alkabrij gebeurde er iets heel wonderlijks…
‘We all live in a yellow submarine. Tralalala!’ zong Elians. Dit is op twee manieren heel wonderlijk; ten eerste omdat Elians altijd heel dom en bedroefd is, hij behoort immers tot de Throstnies. Ten tweede omdat men op de Alkabrij natuurlijk een ernstig gebrek aan Aardse muziekkennis heeft: ze kennen de Beatles niet eens.
Hoe kan het dan dat Elians nu, op dit allerserieuste moment, ‘We all live in a yellow submarine’ aan het zingen is? Dat komt doordat de Amerikanen die op de Alkabrij landen, -dit zijn ze natuurlijk allang vergeten, de instructievideo zegt immeres dat ze op de Maan zijn geland- een plaat van de Beatle mee hadden. De Throstnies hebben de plaat opgegeten en nu kent iedereen van de van de Throstnies ‘We all live in a yellow submarine’. Het wordt dan ook wel eens gezegd in Yvoria (het land van de Throstnies. Voor zover men weet, is het volk van de Throstnies het enige volk dat in een land woont met een compleet andere naam) dat als je in het hoofd van een Throstnie zou kijken, je dan een zogenaamde ‘liedjesverteller’ in het hoofd van de betreffende Throstnie zou aantreffen, waarop het lied ‘We all live in a yellow submarine’ eindeloos speelt.
En daarna zei de grote en enigszins allenige wijsbegeerder: ‘Dood, dood is als een vogel. Je vliegt weg, maar waar naartoe? Dat weet alleen de almachtige.’
‘We all live in a yellow submarine, yellow submarine, yellow submarine, yellow subma-,’ even viel Elians stil, ‘Blûh!’
Alle ander Throstnies lagen in een deuk van het lachen, voor zover dat kan met hun ellendige lichaam.
‘Ik heb honger.’
‘Dan moet je eten.’
‘Ik heb geen eten.’
‘Dan moet je eten kopen.’
‘… Ik heb honger.’
Deze belangwekkende conversatie is opgetekend door niemand anders dan Mr. Wiewel. Hij wist alleen niet wie deze almachtige woorden uit zijn/haar mond had laten rollen als broodjes die uit de ik-maak-broodjesmachine rollen.
‘Kijk! Ik heb een nieuwe broek!’ zie Mr. Wiewel die blijkbaar klaar was met zijn filosofische gedruppel. Fonst staarde naar Mr. Wiewel en besloot toen te doen alsof hij het nie gehoord had. Blabla, daarentegen zei vrolijk: ‘Probeer je me nou te versieren?’
‘De Erdbeereisbecher…’ zie Fonst opeens. Nu was het Mr. Wiewel en Blaba’s beurt om te staren.
‘Eh, ja, dat is Duits.’ zei Fonst, alsof dat verklaarde waarom hij dat zei.
Er viel een kleine stilte, die doordrong tot in de diepste lagen van het Grote, Donkere en Duitsere Comediaanse Bos. Dit Bos was eigendom van de Lachebekjes, die uiterst zwartgallig waren.
‘Wat is Duits?’ vroeg Mr. Wiewel na een tijdje.
‘Duits, ja kweenie, ‘ zei het Srieltje, ‘ik vergeet alles.’
‘Ik weet ook niet wat Duits is, hoor,’ zei Fonst die op een vreemdsoortige manier fonste.
‘Nou, dan kunnen we weer de club joinen,’ zei Blabla opgewekt.
‘Je kan the club niet joinen.’
‘Welles, we doen het zelf.’
‘Nietes, je kan alleen 'join the club' zeggen, maar dat betekent niks. Dus je kunt er ook niks mee doen. Het is daarom uiterst nutteloos om hier over te converseren.’
‘Conserveren??’ zei Fonst verbaasd.
‘Neehee! Converseren!’ zei Mr. Wiewel.
‘Ik vind het wel nuttig, al ben ik vergeten wat dat betekent,’ murmelde Blabla.
‘Het antwoord op 'alles' is vierendertig en een half, want 'alles' heeft vijf letters en twee lettergrepen, daarom doe je zeven keer vijf min een half.’
Dit alles werd gezegd door een vervagende mist.
Op het erg vreemde, vrij mislukte planeetje dat ‘Aarde’ heette, liep een man met een erg aparte uitdossing. Hij heette Wubbo Armstrong. Hij was één van de 5 astronauten die dachten op de maan te zijn geland, maar niets was echter minder waar. In plaats van dat hij, samen met zijn 4 collega’s op de maan was geland, waren zij op de Alkabrij geland. Dankzij een vernuftig idee van één van de Alkabrijaanse inwoners (het vertonen van een instructievideo) waren zij er toch van overtuigd dat ze op de maan waren geland. Wubbo was zo trots op zijn vermeende maanlanding dat hij altijd zijn ruimtepak droeg.
Op een dag kwam Wubbo een klein, schattig meisje met twee blonde, lange vlechtjes tegen. Ze was vrolijk aan het huppelen; iets dat jonge Aardbewoners schijnbaar graag doen. Plotseling zag het kleine schattige meisje Wubbo in zijn ruimtepak staan en bleef als een standbeeldje staan.
‘Hé,’ zei ze zeer vertederend, ‘jij bent Wubbo Armstrong!’
‘Eh, ja, dat klopt,’ zei Wubbo met een vervormde stem (ruimtepakken leveren vervormde stemmen op).
‘Ik ben al tien jaar fan van jou.’
‘Eh, je bent pas een jaar of acht.’
‘Ja, maar toen ik min twee was, was ik ook al fan van je.’
‘Eh, toen was ik nog niet op de maan geweest.’
Toen zei het kleine, schattige meisje iets wonderbaarlijks: ‘Maar je bent nooit op de maan geweest.’
Opeens klonk er een onheilspellend muziekje. Wubbo en het kleine, schattige meisje keken even verschrikt om zich heen en probeerden toen hun gesprek weer voort te zetten. Dit lukte echter niet, want we gingen over op een nieuwe scène.
‘Is de katrien warm?’ zei Nietmand tegen zijn allergeliefste hond Plato, die toevallig enkele duizenden jaren op de planeet Aarde was geweest in menselijke vorm en toen allerlei filosofisch gebrabbel uit had gespuwd. Om de een of andere rede vonden de mensen dit nog steeds interessant, iets dat Nietmand onbegrijpelijk vond.
Mr. Wiewel, Fonst en Blabla waren maar gaan lopen, omdat ze toch niks te doen hadden. Ze waren bijna vergeten dat ze op zoek waren naar Fonst zijn naam, althans dat waren Mr. Wiewel en Fonst vergeten, want Blabla wist het niet en al wist ze het wel, dan was ze het nu weer vergeten.
En dan op dit onbewaakte ogenblik zei Blabla: ‘Whieeeee!’
Mr. Wiewel reageerde zeer geschokt: ‘Pardon?!?’
Mr. Wiewel vatte dit namelijk op als een zeer erge belediging. En als je je afvraagt waarom: het komt omdat Mr. Wiewel gewoon een beetje abnormaal is. Maar daar kom je natuurlijk niet veel verder mee.
‘Dat is een zeer ernstige belediging!’
‘Hè? Maar ik zei helemaal niks?’
Fonst wilde zich in het gesprek mengen en zei (of eigenlijk probeerde hij te zeggen): ‘Uit naam van mij, …. Ehh, wat was mijn naam?’ Even fonste hij, ‘Oja! Dat gingen we doen: mijn naam zoeken!’
En Fonst, Blabla en Mr. Wiewel gingen weer op pad. Na een tijdje kwamen ze weer bij een richtingaanwijzerbijeenkomst. Razendsnel telde Fonst: ‘Er zijn 468 richtingaanwijzers naar het zwembad van Mister C. en … ehh, even tellen.. ééntje naar Het Land der Onwetenden.’
Ik wou dat ik zo snel kon tellen, dacht Mr. Wiewel.
‘Hmmm, laten we daar maar naartoe gaan.’
‘Waar naartoe?’
‘Naar Het Land der Onwetenden, dat zijn we immers.’
‘Zijn wij Het Land der Onwetenden?’
‘Neehee, we zijn onwetend!’
Fonst en Mr. Wiewel gingen de richting van het bordje op, maar Blabla staarde lippen aflikkend naar de 468 zwembadbordjes. Na een tijdje ontwaakte ze uit de trance en vloog razendsnel in der richting van de bordjes.
Na een tijdje kwam ze erachter dat ze alleen was.
‘Oh!’ riep ze verschrikt, ‘Ik ben de anderen kwijt!’
Ze was een tijdje stil.
‘Wie zijn de anderen eigenlijk?’ vroeg ze aan zichzelf, ‘Hmm… Iew!’
En toen vloog ze weer verder. Opeens vergat ze wat vliegen was en viel als een baksteen uit de lucht.
‘Auw! Dat doet pijn! Wat is pijn eigenlijk?’ ze haalde haar touwschoudertjes op en liep vrolijk verder. Wonder boven wonder wist ze wel nog wat dat was.
Ondertussen waren Fonst en Mr.Wiewel al een flink eind opgeschoten.
‘Ze, Wiewel? Is het jou ook opgevallen dat iedereen hier in badkleding rondloopt?’ vroeg Fonst.
‘Ja, maar dat wil nog niet betekenen dat ze daar ook daadwerkelijk gebruik van gaan maken,’ zei Mr.Wiewel die alweer helemaal opging in een filosofische bui, ‘want, zie je –’
‘Jaja, daar heb je vast weer een erg goede filosofische uitleg bij, die ik niet hoef te horen!’ zei Fonst geïrriteerd.
‘Goh, heb je relatieproblemen ofzo?’ mompelde Mr. Wiewel.
‘Prullenbakken zijn net als overstromende rivieren; beide zijn het slechte tekens, maar zonder hen zou de Alkabrij niet meer kunnen draaien,’ zei een eenzame man op een leeg podium met slechts één toeschouwer.
Eindelijk waren Stach en Doeblie vergeten dat ze vergeten waren wat praten was, en begonnen weer te praten over alles wat ze zagen.
‘Kijk, een… eh…’ zei Stach.
‘Ja, inderdaad!’ zei Doeblie, ‘Hé, kijk, gras!’
‘Huh? Gras? Wasda?’
‘Wasda? Wat is dat?’ zei een perfect articulerende Doeblie. Wat is perfect articuleren eigenlijk?
‘Hé, kijk, een vlieg!’
‘Ja, en een boom en een zwembad, jaaa!’
Stach en Doeblie doken tegelijkertijd het water in en hun Srielshirtjes werden helemaal nat.
Elians keek verschrikt om zich heen. Waarom lachten die Throstnies nou? ‘Blûh,’ zei hij nog een keer. De Throstnies lachtten nog harder. ‘Hmmm,’ dacht Elians.
‘We all live in a yellow submarine!’ zong een ander Throstnie.
Opeens was Elians het zat. Hij wilde het lied nooit meer horen.
‘Koppen dicht allemaal! Hou nou toch eens op met dat rotlied!’ schreeuwde hij uit, waarop alle Throstnies hem zowel beledigd als verbaasd evenals verward aankeken. Het Throstnie-ras was het enige ras op de Alkabrij (mogelijk zelfs in het hele universum) die drie gezichtsuitdrukkingen in één keer konden hebben.
Nadat de Throstnies zo een half uur hadden gezeten, kwam een zeer intelligente Throstnie met de uitspraak: ‘Blûh. Laten we weer zingen.’ De Throstnies lachten even (hun ellendige lichaam was uitgeput van al het lachen) en begonnen toen:’ We all live in a yellow submarina, yellow submarine....’
‘Ik geef het op,’ zei Elians, meer tegen zichzelf dan iemand anders, ‘ik ga weg! Hmmm, maar waar naartoe? Ik ben overduidelijk te slim voor deze wezens. Ik denk dat ik maar naar het ... eh... het... euh... het.... goh,tjsa.. hoe heette dat nou?’ peinzend en met een treurige blik keek Elians naar zijn vrolijk en zeer vals zingende soortgenoten.
‘Ohja! Dat heette Het Land der Wetenden!’
En verrast door zijn eigen intelligentie ging Elians op weg naar Het Land der Wetenden.
Er zijn een aantal dingen die men moet weten voordat men tracht Het Land der Wetenden te betreden. Ten eerste moet men, als men in de buurt is van Het Land der Wetenden, NOOIT iemand naar de weg vragen. Omdat Het Land der Wetenden grenst aan Het Land der Onwetenden, kun je nooit zeker zijn of degene aan wie je het vraagt je de goede richting in stuurt.
Ten tweede moet men beseffen dat al de personen in het Land der Wetenden wéten. En daarmee dus niet het kinderlijke weten van: 'ik weet het lekker wel en jij lekker niet, lekker pûh.' Maar het echte weten, het weten van álles. Van het leven, de waarheid en de leugen. Dit kwam er eigenlijk op neer dat alles wat je zei werd neergelegd of bij het kleine hoopje van de waarheid of bij de grote vuilnisbelt van de leugen.
Ten derde moet men ook bestand zijn tegen het curieuze uiterlijk van deze alwetende wezens. Aan elk lichaamsdeel is te zien dat ze alles weten (als je je afvraagt hoe dat eruit ziet: dat weet je pas als je het gezien hebt). Menigeen zijn krankzinnig geworden doordat ze te dom waren om dit te bevatten. Helaas is dit waarschijnlijk het lot dat ook wacht voor onze geliefde Elians, tenzij hij opeens zijn IQ 100 punten kan verhogen.
Wordt vervolgd...